Lengte: 22:07 / Bekeken: 1712 x

Waar is het water dat mijn dorst lest?

In het vorige hoofdstuk ging het over Nicodemus (Johannes 3), nu gaat het over een Samaritaanse vrouw. Wat een verschil tussen hen beiden. Hij was geleerd, invloedrijk, gerespecteerd, orthodox, theologisch getraind; zij was ongeschoold, zonder invloed, veracht, alleen maar volksgeloof en bijgeloof. Hij was een man, een jood, een leider; zij was een vrouw, een samaritaan, een outcast. En beiden hebben Jezus nodig. En voor beiden is Jezus gekomen!

Jezus ontmoet hier een vrouw die komt om water te putten. De put die hier in Johannes 4 wordt genoemd, bestaat nog steeds. Tegenwoordig is de put ongeveer 30 meter diep, toen misschien nog meer. De vrouw zegt zelf dat de put diep is, je hebt een emmer nodig (vers 11). Het kost blijkbaar veel inspanning om er water uit te krijgen! Zwaar werk, maar noodzakelijk. Want zonder water kun je niet leven, dan sterf je. Elke dag komt deze vrouw hier om er te zwoegen bij de put. Ze raakt nooit uitgeput maar raakt juist daardoor uitgeput.

Het is haar dorst die haar hiertoe dwingt. Had ik maar geen dorst meer, zegt ze (vers 15). De altijddurende dorst, de altijd aanwezige craving, de niet te stillen en niet te lessen aandrang naar water (term die gebruikt wordt voor mensen die verslaafd zijn of afkicken – de extreme hunkering naar verdovende middelen). Altijd het gevoel de dood door watergebrek slechts een halve meter vóór te zijn… zo wordt haar dagritme en levensritme bepaald door dorst en door de inspanning om water te vinden.Bij deze put voeren Jezus en de vrouw een gesprek. Eerst over water, dorst, levend water, een emmer en een put. Je voelt dat de vrouw er wat ambivalent instaat – het gesprek verloopt niet heel soepel. Misverstanden (vers 11), argwaan (vers 9), ironie en lichte spot (vers 12) aan de kant van de vrouw. Verbazing dat hij, een Jood, haar, een Samaritaanse, aanspreekt (vers 9).

Zonder water kun je niet leven, dan sterf je. Elke dag komt deze vrouw hier om er te zwoegen bij de put. Ze raakt nooit uitgeput maar raakt juist daardoor uitgeput.

Toch doet dat gesprek wel wat met haar. Waar ze, zichzelf ondanks, even in haar hart laat kijken. “Had ik maar zulk water dat ik nooit meer dorst had!” Daarmee onthult ze een diep verlangen dat in ieder mens schuilgaat. Woorden die meer over haar zeggen dan ze wellicht zelf op dit moment beseft. Ze komt er midden op de dag, als het zinderend heet is – als haar dorst het grootst is… En dan stoot Jezus door naar de praktijk van het leven. Roep je man eens, vraagt hij (vers 16). “Ik heb geen man…” zegt ze (vers 17). Het gesprek nadert de grote zere plek van haar leven. Metaforen over levend water zijn mooi en veilig, maar het concrete leven is anders, wrang en pijnlijk. Daarom probeert ze met een halve waarheid het gesprek over haar relatie te vermijden.

Relaties… Vijf mannen heeft ze gehad, maar alle vijf zijn of gestorven of ze hebben haar verstoten (vers 18). Vijfmaal lachte het geluk, en vijfmaal werd het ongeluk. Vijfmaal samen, vijfmaal alleen. Vijfmaal hoop, vijfmaal wanhoop.En nu? Nu leeft ze samen met een man, zonder een echte hechte verbintenis. Het is  haar aan te zien dat al die relaties haar geen vervulling van haar verlangen hebben opgeleverd. Integendeel, wat haar gelukkig had moeten maken, is de oorzaak van haar ongeluk, van haar schaamte en eenzaamheid geworden. Inderdaad, ze heeft geen man. Juist als ze de vraag van Jezus wil vermijden, doet ze haar belijdenis. Het was als ontwijkend antwoord bedoeld, maar het is tegelijk ook een bekentenis: het heeft me niet gebracht wat ik zocht.Ze heeft geput om haar dorst te lessen, maar de put is diep. Veel inspanning, veel zwoegen, veel tranen heeft het haar al gekost, maar nog steeds brandt de dorst van binnen.Is zo uiteindelijk niet de situatie van ieder mens zonder God? Onze dorst kan nooit zonder God gestild worden.

Er is een liedje van Bram Vermeulen, misschien ken je het: “Kom, mijn vriend, drink mijn vriend, zing en wees niet bang, kom mijn vriend, dans mijn vriend: de nacht is eindeloos lang. Zuip, mijn vriend, slemp, mijn vriend, schreeuw en wees niet bang, brul, mijn vriend, bral mijn vriend: de nacht is eindeloos lang. Mijn ziel is te groot, hij barst uit mijn borst: ik heb dorst, dorst, dorst. Mijn ziel is te groot, hij barst uit mijn borst. Ik heb dorst, dorst, dorst.”

Veel inspanning, veel zwoegen, veel tranen heeft het haar al gekost, maar nog steeds brandt de dorst van binnen. Is zo uiteindelijk niet de situatie van ieder mens zonder God? Onze dorst kan nooit zonder God gestild worden.

Tegenover de dorst van de vrouw spreekt Jezus over dorst. Jezus belooft haar levend water (vers 10). In het dagelijkse spraakgebruik was dat een uitdrukking voor stromend water, geen stilstaand water uit een poel of een bassin, maar stromend water uit een bron. Dus water dat er altijd is en niet opraakt! Jezus belooft dus dat wat Hij geeft, niet opraakt, blijft stromen, altijd voorhanden is. Bovendien is het levend water omdat het water is dat echt leven, eeuwig leven, teweeg brengt. “Water dat opwelt tot in het eeuwige leven” (vers 14). Eeuwig leven is niet alleen leven straks, voorbij de dood, maar ook het echte, het goede leven.

Dit levende, stromende water ontspringt aan een bron van binnen (vers 14). De put waarheen de vrouw kwam, kende ook een bron, maar dan een bron buiten haar, buiten het dorp, in de diepte, 30 meter. Nu spreekt Jezus over een inwendige bron, waarmee Hij bedoelt dat je dan niet meer afhankelijk bent van uitwendige omstandigheden. Als de bron van binnen aanwezig is, vind je werkelijke voldoening en bevrediging, in alle omstandigheden en in alle situaties. En zonder dat? Dorst. Met deze bron en dit levend water bedoelt Jezus de Heilige Geest. De Geest van God die ons leert en helpt om tevreden te zijn, blij te zijn, dankbaar, gedulig, liefdevol, hoopvol, gelovig. Daarom zegt Jezus: wie van dit water drinkt, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen (vers 14). Dat betekent niet dat je dan alles hebt wat je hartje begeert, dat het geluk je toelacht en het leven verrukkelijk zal zijn. Maar dat er van echte, zuivere vervulling sprake is. Heel anders dan wanneer je je dorst probeert te lessen met een bron buiten je.

Stel je voor dat je drinken mag uit deze bron! Als je drinkt uit de bron van prestaties… uit de bron van je uiterlijk en schoonheid. Uit de bron van je bezit en geld. Uit de bron van je populariteit. Deze innerlijke bron blijft, ook als je verder alles kwijt raakt.Hoe kom ik dan aan dat water? Jezus zegt: ‘Ik geef jou dat’, (vers 10). Hiervoor hebben wij Jezus nodig. Niemand anders kan deze belofte waarmaken… niemand kan jou deze innerlijke bron geven, behalve Hij. Zonder Jezus blijft jouw dorst en drink je slechts water dat nooit het innerlijke verlangen lest…

Je hoeft het Hem alleen maar te vragen, en dan geeft Hij het. Als je deze gave van God zou kennen, dit geschenk (een bron van levend water, van binnenuit) en als je weet wie Jezus is, dan ben je er eigenlijk al. Want dan hoef je het Hem alleen maar te vragen en dan zál Hij het geven. Let eens op hoe dit gesprek verloopt! Jezus begint het gesprek en vraagt aan de vrouw om water (vers 7). Zijzelf zou het gesprek niet hebben gestart, en zelfs lezen we niet dat ze Hem water heeft gegeven… Ze is argwanend, kritisch, bits. Zo staat ze in het leven. Teleurgesteld, beschadigd, verbitterd. Wantrouwend en geknakt. Op het heetst van de dag – geen behoefte aan contact (vers 6). “Laat mij maar alleen. Laat mij mijn gang maar gaan…”

Waarschijnlijk was ze om haar levensstijl een outcast, een verschoppeling in de stad, afgekeurd en afgedankt. Niet alleen door die vijf mannen maar door ongeveer iedereen. Maar Jezus laat haar niet gaan! De dorst van Jezus (vgl. Johannes 19:28) bestaat in zijn verlangen om andere mensen te laten drinken van dit levende water. Hij heeft iets voor haar dat even onmisbaar is voor de geest (ziel), als water is voor het lichaam. “Ik heb iets voor jou, en zonder dat ben je verloren.” Wie jij ook bent, ook jij hebt Jezus nodig. Zonder Zijn levende water zul je overal zwoegen en putten en blijven dorsten. Dan weer deze put, dan weer die relatie, dan weer dat levensdoel, dan weer die carrière, dan weer de volgende uitdaging. Maar de put is diep en de dorst blijft. Tot de dood erop volgt. Innerlijke vreugde en vervulling vind je niet in een emmer en niet in een put. Levend water is een gave, een geschenk, iets wat Jezus geeft. Als je maar weet wie Hij is… – dan hoef je Hem er slechts om te vragen – en Hij zal het geven. En dan zul je drinken – drinken van het levende water dat opwelt tot in het eeuwige leven. Drinken en geen dorst meer!

Meer toerusting