12 augustus 2026

Mag je Christus met
Odysseus vergelijken?

Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken? Dat is de gevleugelde uitspraak van de vroege kerkvader Tertullianus (160-230). Met deze vraag stelde hij de verhouding tussen de Griekse filosofie (Athene) en het joods-christelijke geloof (Jeruzalem) ter discussie. Het werd een klassiek vraagstuk in de christelijke theologie.

Is het Evangelie niet te heilig, te verheven, om het op één lijn te plaatsen met een hellenistisch epos?

In zekere zin speelde deze vraag op de achtergrond ook een rol bij de publicatie van mijn artikel over de Odyssee, al dan niet toegespitst op de Griekse filosofie, maar wel op de Griekse mythologie. Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken? vroeg ik mij af. Concreter: wat heeft Odysseus met Jezus te maken? Kan je die twee eigenlijk wel vergelijken (zoals ik in mijn artikel deed)? Is het Evangelie niet te heilig, te verheven, om het op één lijn te plaatsen met een hellenistisch epos – te meer als de moderne verfilming van dat epos bij christenen allerlei vragen oproept?

Dat is een spannende vraag, die iedereen op zijn eigen manier zal beantwoorden. Van de bekende Amerikaanse theoloog Tim Keller is bekend dat hij in zijn preken rijkelijk putte uit de (hedendaagse) cultuur. Als groot fan van Tolkien verwees hij bijvoorbeeld regelmatig naar de film The Lord of the Rings om van daaruit een brug te slaan naar de verkondiging van het Evangelie. Hoewel velen (waaronder ikzelf) die synthese van cultuur en christendom waarderen, zijn er ook vragen te stellen bij een dergelijke aanpak. Toegespitst op mijn artikel zou je grofweg drie vormen van kritiek kunnen leveren op mijn vergelijking tussen Christus en Odysseus.

De eerste kritiek is dat ik appels met peren vergelijk. Je zou kunnen zeggen dat ik met mijn vergelijking tussen Christus en Odysseus twee personen vergelijk die totaal niet te vergelijken zijn. Fundamenteel is natuurlijk dat Christus een historische persoon is en Odysseus een mythologische. Bovendien mag Luther gerust zingen: ‘Ons staat een sterke Held terzij die God ons heeft beschoren’, maar dat is dan wel een heel ander type held dan de klassieke helden uit de hellenistische literatuur. Die laatsten zijn vaak halfgoden, die vooral gekenmerkt worden door onoverwinnelijkheid én de hang naar eeuwige roem. De Bijbel toont ons echter een heel ander plaatje van Christus. Christus is immers geen halfgod, maar volledig God en volledig mens. Christus wordt in de evangeliën niet afgeschilderd als de onoverwinnelijke Leeuw, maar juist als het kwetsbare Lam, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Christus is niet uit op eigen eeuwige roem, maar Hij is juist altijd gericht op de eer van Zijn Vader. Al met al kan een vergelijking tussen Christus en Odysseus aanvoelen als een vergelijking tussen appels en peren. Met andere woorden: onmogelijk.

Waar Odysseus vooral anderen opofferde, offerde Christus zichzelf op.

Iets genuanceerder is de tweede vorm van kritiek, die de mogelijkheid van een vergelijking wel open wil houden, maar bang is dat daarbij de verschillen te veel over het hoofd zijn gezien. Om de beeldspraak maar even vast houden: in mijn artikel worden wel appels met appels vergeleken, maar tegelijkertijd raakt te veel op de achtergrond dat een Pink Lady geen Granny Smith is. Waar in de vergelijking tussen Christus en Odysseus sommige zaken inderdaad als prachtige overeenkomst oplichten (zoals in mijn artikel voornamelijk de ‘vermomming’ van beiden als bedelaar voorafgaand aan de onthulling van hun ware identiteit), zijn er ook allerlei verschillen te noemen. Het wapen van Odysseus was een zwaard, het ‘wapen’ van Christus was precies het omgekeerde: een kruis. Waar Odysseus vooral anderen opofferde, offerde Christus zichzelf op. Deze tweede vorm van kritiek wijst dus op de mogelijkheid, maar tegelijkertijd op de beperkingen van een dergelijke vergelijking. Je zou kunnen zeggen dat mijn artikel te veel de overeenkomsten aanstipt en te weinig nadruk legt op de cruciale verschillen.

De derde, meest welwillende vorm van kritiek erkent de mogelijkheid tot vergelijking volledig, maar wijst op de zwaktes van een op het eerste gezicht terechte vergelijking. Wie een Pink Lady met een Pink Lady vergelijkt, moet niettemin in ogenschouw nemen dat de ene Pink Lady de ander niet is. Om een voorbeeld te geven: in mijn artikel zat een impliciete vergelijking tussen het paard van Troje en het kruis van Christus. Ik schreef: “Dat wat de victorie voor de vijand leek te betekenen, werd diens definitieve ondergang.” Dat gold voor het paard van Troje. Dat gold ook voor het kruis van Christus. Op het eerste gezicht lijkt dit dus een terechte vergelijking. Maar wie de identieke ‘appels’ eens goed tegen het licht houdt, komt erachter dat de ene van binnen rijp en de ander van binnen rot is. Hoewel de gedachte dat Christus de duivel aan het kruishout ‘fopt’ zeer oude papieren heeft (vgl. bijvoorbeeld Gregorius van Nyssa, 335-394), bestaat toch het gevaar dat de kruisdood – door mijn vergelijking met het paard van Troje – ten onrechte wordt opgevat als misleiding, als list om de vijand (Troje cq. satan) om de tuin te leiden. Bovendien wordt de truc met het paard in de Odyssee door de goden opgevat als het misbruiken van een religieus symbool (het offer) voor bloedige oorlogsvoering. Dat geldt natuurlijk pertinent niet voor het offer van Christus. Wie dergelijke aspecten in ogenschouw neemt, moet uiteindelijk toegeven dat een op het eerste gezicht terechte overeenkomst uiteindelijk toch niet opgaat.

Al met al zijn er genoeg redenen te noemen waarom ik mijn vorige artikel niet had moeten plaatsen. Toch heb ik het gedaan en naar ik meen niet ten onrechte. In de Bijbel zie ik namelijk voortdurend een vergelijkbare synthese tussen het joods-christelijke geloof en de omringende cultuur. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk dat van Paulus die – inderdaad: in Athene – de godsdienstigheid van de Grieken aanwendt ter wille van de verkondiging van het Evangelie (Hand. 17:22-23). Sterker nog: om te onderbouwen dat God niet ver bij zijn toehoorders vandaan is, citeert Paulus heidense poëzie (Hand. 17:27-28). Met andere woorden integreert Paulus de afgodische cultus en literatuur van de Grieken in zijn verkondiging van het Goede Nieuws. Daarmee keurt hij vanzelfsprekend niet de heidense afgodencultus goed. Wel creëert hij ‘common ground’ met zijn toehoorders, door te vissen uit hun culturele en zelfs religieuze vijver.

Minder bekend is wellicht hoe er in het Oude Testament volop gebruik wordt gemaakt van de omringende cultuur. Zo vertoont de tabernakel bijvoorbeeld allerlei overeenkomsten met heidense tempelcomplexen uit de nabije omgeving (Egypte, Mesopotamië). Een ander voorbeeld is de wetsteksten in het Bijbelboek Deuteronomium, die naar hun structuur en inhoud overeenkomsten vertonen met vazalverdragen tussen heidense koningen en hun onderdanen. Ook hier worden formele en inhoudelijke aspecten van heidense culturen niet vermeden, maar juist gebruikt en geheiligd voor de dienst aan God. Dat gebruik neemt de verschillen zeker niet weg. Integendeel, net als de overeenkomsten zijn juist ook de verschillen openingen voor de verkondiging van het Evangelie.

Met alle plezier heb ik daarom de Egyptenaren – of in dit geval: de Grieken – beroofd van hun goud om ermee te bouwen aan het Koninkrijk van God.

Met alle plezier heb ik daarom de Egyptenaren – of in dit geval: de Grieken – beroofd van hun goud om ermee te bouwen aan het Koninkrijk van God. Om die reden doe ik er als slot van dit artikel nog graag een klein schepje bovenop door drie laatste lessen te trekken uit de Odyssee van Homerus.

Allereerst houdt het religieuze interpretatiekader van de personages in de Odyssee onze westerse seculiere cultuur een kritische spiegel voor. Ongeveer alle gebeurtenissen in de Odyssee worden in het verhaal gelinkt aan het handelen van de goden. Hoewel ik absoluut niet jaloers ben op de duisternis van de Griekse afgoderij, bepaalt een dergelijk antiek interpretatiekader ons westerlingen wel bij de oppervlakkigheid van ons eigen seculiere wereldbeeld. Zijn bijvoorbeeld puur meteorologische verklaringen voor de aanhoudende droogte, of – ander voorbeeld – puur medische verklaringen voor lichamelijk en psychisch lijden geen symptomen van een gesimplificeerd wereldbeeld waarbij alles draait om ‘meet het en je weet het’? Waar zien wij de hand van God in het wereldgebeuren en in ons persoonlijke leven?

 Welke vrijers dringen zich er in ons eigen leven eigenlijk op om de troon van de Koning in te nemen?

Ten tweede levert de Odyssee unieke motieven op voor de verkondiging van het Evangelie. Om maar wat voorbeelden te noemen: wat zijn bijvoorbeeld de Sirenen waar wij moderne westerlingen collectief voor zwichten? Zijn wetteloosheid (in de theologie antinomianisme genoemd) en wetticisme niet eigenlijk precies als de twee monsters Scylla en Charybdis waar we in ons christelijke leven vaak aan ten prooi vallen – in plaats van de gulden middenweg te kiezen die Christus ons wijst? En – als echo van mijn vorige artikel – welke vrijers dringen zich er in ons eigen leven eigenlijk op om de troon van de Koning in te nemen?

Tot slot. In de Odyssee wordt gezegd dat kracht van een offer ligt in de kosten die de gever ervoor maakt. Een krachtige zin – met natuurlijk een prachtige toepassing op het volmaakte werk van onze Heiland. Wat heeft dit offer de Allerhoogste veel gekost! ‘Hoe diep en schrijnend was Gods pijn toen Hij zijn Zoon zo lijden zag’, zingt een lied. Het kostte God alles. Maar juist die immense kosten bepalen de kracht van het offer. Want: ‘Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld.’ (1 Johannes 2:2) Hoe verrijkend is het als we via allerlei culturele weggetjes telkens weer de enige Weg weten te vinden.

 

Meer toerusting