23 oktober 2020

Hoe ik van gedachten veranderde: de cruciale rol van de gemeente

Sinds ik op de middelbare school christen werd is de lokale kerkgemeenschap altijd belangrijk voor mij geweest. Ik herinner me hoe ik de eerste zomer dat ik christen was een aantal uur (oké, heel wat uurtjes) doorbracht in de bibliotheek van onze kerk. Ik zette cijfers op een rij over het groeiende aantal leden en zette dat in een tabel af tegen de teruglopende aantallen kerkbezoekers. De grafiek die ik op basis daarvan maakte op een groot vel papier – het was nog in het pre-computertijdperk – bestond uit twee zorgvuldig getrokken lijnen voor lidmaatschap en kerkbezoek, die vanaf de jaren veertig en vijftig steeds meer uit elkaar gingen lopen.

Hoewel ik er uren werk in had gestoken, kregen maar weinig mensen de mensen de poster te zien nadat ik hem op een prachtige zichtlocatie in onze kerk had opgehangen. Ik had hem opgehangen zonder er toestemming voor te vragen (daar had ik helemaal niet over gedacht). Maar het duurde niet lang voor er toestemming kwam – om de poster zo snel mogelijk weg te halen.

Tijdens mijn studie theologie ging ik steeds meer ging begrijpen van Gods genade. Met dat mijn geloof groeide, groeiden ook mijn zorgen over naamchristendom. Van veel zogenoemde bekeringen bleek het voor mij achteraf gezien duidelijk dat het niet echt was geweest. Ik keek met achterdocht naar alle evangelisatieactiviteiten die verantwoordelijk waren voor al die optimistische groeicijfers. En nog belangrijker: ik was sceptisch over al die mensen die zo zeker van hun zaligheid en tegelijk zo passief waren.

Een cruciale woordenwisseling

In de tijd dat ik bezig was met mijn promotieonderzoek, ging ik me nog nadrukkelijker bezig houden met het thema kerk-zijn, en in het bijzonder met het belang van de plaatselijke gemeente. Ik herinner me een woordenwisseling met een vriend die bij een interkerkelijke organisatie werkte. Hij en ik gingen allebei naar dezelfde kerk. Ik was daar lid geworden toen we naar de stad verhuisd waren. Hij had er een aantal jaren later voor gekozen om de diensten te gaan bijwonen, maar dan alleen de ochtenddiensten. En dan kwam hij ook nog eens pas halverwege de dienst binnen, als de preek ging beginnen. Op een dag sprak ik hem daarop aan.

Hij reageerde eerlijk en recht doorzee, zoals hij was. ‘Ik heb niet echt iets aan de rest van de dienst’, zei hij. ‘Heb je ooit overwogen om je bij de gemeente aan te sluiten?’ vroeg ik. Hij was oprecht verbaasd en antwoorde grinnikend: ‘Aansluiten bij de kerk? Ik zou echt niet weten waarom. Ik weet waarvoor ik hier op aarde ben, en al die mensen zouden me alleen maar afremmen.’ Dat klinkt koud en hard als je het zo leest, maar hij zei het met het typische, oprechte enthousiasme van een begaafde evangelist, die geen uur wil verspillen van de tijd die de Heere hem gegeven heeft. Hij wilde zijn tijd zo goed mogelijk besteden en al dat gedoe rond kerkbezoek en aansluiting zoeken bij een gemeente leek hem totaal irrelevant.

Afremmen. Dat woord echode in mijn hoofd. Afremmen. Er kwamen allerlei gedachten in mij op, maar het enige wat ik uiteindelijk zei was: ‘Als je je aan hen verbindt zal dat jou misschien wel afremmen, maar heb je er ooit aan gedacht dat jij hen dan misschien kunt helpen om meer vaart te maken? Heb je overwogen dat dat misschien wel onderdeel is van Gods plan met hen – en met jou?’

Het gesprek ging nog even door, maar voor mijzelf was het ineens ook glashelder geworden: het is Gods bedoeling om ons te gebruiken in de levens van mensen om ons heen – zelfs als we daardoor geestelijk soms iets moeten inleveren.

Leren van de congregationalisten

In die tijd bestudeerde ik ook het puritanisme, wat me de mogelijkheid bood om met te verdiepen in de theologische debatten over verschillende vormen van kerkbestuur in de Engelse gouden eeuw en daarna. Vooral de verhitte discussie tijdens de Westminister synode volgde ik met interesse. Sommige congregationalisten stelden dat pastoraal autoriteit alleen mogelijk was binnen een pastorale relatie. Die gedachte sprak me aan. Ze stelden dat het gezag uiteindelijk bij de plaatselijke gemeente lag, en dat was Bijbels goed te onderbouwen (zie Mattheüs 18:17, 1 Korinthe 5, 2 Korinthe 2, Galaten en 2 Timotheüs 4). De rol die de predikant en de gemeente in het leven van een gewone gelovige spelen, leek in mijn denken alleen maar groter te worden.

En toen werd ik in 1994 zelf predikant. Ik had altijd al wel waardering gehad voor het ambt van ouderling en was zelf ook al ouderling geweest in twee verschillende gemeenten. Maar nu ik predikant was – in feite ben je dan ouderling met een bijzondere taak – ging ik nog meer nadenken over het gewicht van dit ambt (en kwam het ook dichterbij). Teksten zoals Jakobus 3:1 (‘een strenger oordeel ontvangen’) en Hebreeën 13:17 (‘rekenschap moeten afleggen’) weerklonken steeds luider in mijn hoofd. Ook de omstandigheden werkten eraan mee dat ik steeds meer zicht kreeg op het belang dat God hecht aan de gang van zaken in de plaatselijke gemeente.

Ik herinner me dat ik een citaat las van John Brown, die in een brief vaderlijke adviezen meegaf aan een van zijn leerlingen, die onlangs was aangesteld in een kleine gemeente. Hij schreef: ‘Ik ken je ijdelheid en ik weet dat je je gekrenkt voelt omdat je gemeente heel klein is vergeleken bij die van je broeders. Maar laat deze oude man je ervan verzekeren: als je voor de rechterstoel van de Heere Christus zult staan om rekenschap over hen af te leggen, dan zul je vinden dat je meer dan genoeg hebt gehad aan deze gemeente.’ Als ik de gemeente zag zitten waar ik over aangesteld was, voelde ik het gewicht van die rekenschap die ik aan God zou moeten afleggen.

Iedereen, maar vooral elkaar liefhebben

Het belang van de plaatselijke gemeente kwam ook telkens weer naar voren tijdens mijn doordeweekse werk. Het bepreken van de evangeliën en daarna de brieven gaf me steeds nieuwe mogelijkheden om de noties van christelijke liefde verder te verfijnen. Zo zagen we dat sommige teksten ons weliswaar leren dat we als christenen iedereen lief moeten hebben (zie bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 3:12), maar dat veel gedeelten die vaak worden gebruikt om deze les over te brengen in feite leren dat we elkáár lief moeten hebben. Ik herinner me dat ik in een preek over Mattheüs 10 liet zien dat de bekers koud water die uitgedeeld moeten worden bedoeld zijn voor de discipelen van Jezus. Na de dienst kwam er iemand verhaal halen omdat ik het vers had geruïneerd dat haar levensmotto was.

Voor mij kwamen al die ‘elkaar’-gedeelten juist tot leven en onderstreepten ze de theologische waarheid waar ik eerder al van overtuigd was geraakt: dat God geeft om Zijn gemeente. Terwijl ik Efeze 2 en 3 bepreekte, werd me duidelijk dat de gemeente het middelpunt is van Gods plan om Zijn wijsheid te tonen aan de hemelse machten en krachten. Toen Paulus de ouderlingen van Efeze toesprak, duidde hij de gemeente aan als de mensen die ‘Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed’ (Handelingen 20:28). En eerder al, toen Saulus op de weg naar Damascus staande werd gehouden, vroeg de opgestane Christus niet aan Saulus waarom hij deze christenen vervolgde, of de gemeente. Nee, Christus identificeerde Zich zo strek met Zijn kerk, dat Hij Saulus voor de voeten wierp: ‘Waarom vervolgt u Mij?’ (Handelingen 9:4). Het was duidelijk dat de gemeente centraal stond in Gods plan van eeuwigheid, in Zijn offer en in Zijn voortdurende zorg.

Wervingskracht

Dit klinkt allemaal misschien meer als een uiteenzetting van het belang van ecclesiologie dan als een pleidooi om de plaatselijke gemeente een centrale rol te geven. Door week in week uit systematisch de Bijbel door te preken, ben ik tot de conclusie gekomen dat het een geweldige beslissing was van Tyndale om ‘ecclesia’ te vertalen als ‘gemeente’ (congregation)! Het netwerk van relaties dat de plaatselijke geloofsgemeenschap vormt, is de plek waar discipelschap in de praktijk gebracht wordt. Liefde manifesteert zich vooral op lokaal niveau. De plaatselijke kerk is dus de plaats die deze liefde zou moeten uitstralen naar buitenwereld.

Daarom zei Jezus in Johannes 13 vers 34 en 35 ook tegen Zijn discipelen: ‘Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben. Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.’ Ik heb gezien hoe vrienden en kennissen zich van Christus afkeerden omdat de mensen van deze of die plaatselijke gemeente er een vreselijke plek van hadden gemaakt. Maar ik heb ook vrienden en kennissen tot Christus zien komen omdat ze precies die liefde zagen, die Jezus onderwees en voorgeleefd heeft: de liefde tot elkaar, de zelfopofferende liefde waarin Hij ons is voorgegaan. Daar ging een natuurlijke wervingskracht vanuit.

De gemeente – de plek waar het Woord van God resoneert – heeft dus steeds meer een centrale plaats gekregen in mijn denken over evangelisatie. Als we bidden om missionair te zijn en nadenken over manieren om te evangeliseren, kunnen we niet om de plaatselijke gemeente heen.

Toetsteen voor de ware bekering

Ook als het gaat om de vraag hoe we kunnen weten of iemands bekering echt is en hoe we zelf zekerheid kunnen krijgen, ben ik steeds duidelijker gaan zien hoe cruciaal de rol van de gemeente is. Ik herinner me nog hoe 1 Johannes 4 vers 20 en 21 mij trof toen ik een preek over dag gedeelte voorbereidde: ‘Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebben.’ In feite is de boodschap van Jakobus 1 en 2 hetzelfde. Liefde tot elkaar is geen extraatje, maar is essentieel!

Een aantal jaar later kreeg de centrale plaats van de gemeente in mijn denken ook steeds meer betekenis voor mijn visie op het functioneren van de tucht binnen de plaatselijke gemeente. Ik doel dan op de tucht die als doel heeft om ons te vormen en zo nodig terecht te wijzen. Het is duidelijk dat tucht onderdeel moet zijn van discipelschap als we in de gemeente op elkaar aangewezen zijn. En om de tucht te kunnen laten functioneren zoals in de nieuwtestamentische gemeenten, moeten we onze medegemeenteleden kennen, ons verbonden weten aan elkaar en onszelf laten kennen.

Daarnaast moeten we in zekere mate gezagsgetrouw zijn. Gezagsgetrouwheid – thuis, in de kerk en binnen het huwelijk – is iets wat juist op lokaal niveau vorm krijgt. Als je op dit punt de mist in gaat en een aanstoot neemt aan alle vormen van gezag, kom je heel dicht in de buurt van de kern van de zondeval. Aan de andere kant geldt ook: als je dit begrijpt, kom je heel dicht bij het hart van Gods heilswerk. Hij herstelt immers de relatie met ons – een relatie waarin gezag en liefde samengaan.

Schadelijke gevolgen

Ik kan dus wel begrijpen dat christenen in het verleden er zo’n punt van maakten als iemand slordig werd in de kerkgang. En ik ben gaan inzien hoeveel schade er op allerlei fronten is aangericht doordat de lijnen van lidmaatschap en kerkbezoek steeds verder uit elkaar gingen lopen. Was de beslissing om de kerkdienst bij te wonen vroeger nog een zaak die de hele gemeente aanging, nu is het gewoon een individuele afweging en moet de rest zich er vooral niet te veel mee bemoeien. Dat is funest voor het gemeenteleven – en voor de levens van al die mensen die er ooit deel van uitmaakten.

Er zijn nog heel wat vragen blijven liggen, die schreeuwen om een antwoord. Over theologische opleidingen en zogenoemde christelijke leiders die elke zondag ergens anders voorgaan, over predikanten die niet inzien hoe belangrijk de gemeente is, over arme schapen die als ontevreden consumenten van de ene naar de andere gemeente dwalen… De komende tien jaar zullen bij leven en welzijn minstens zo interessant worden als de tien jaar die we achter ons hebben liggen.

Meer toerusting