Wanhopig staart Penelope uit haar venster. Ze zucht. Zou hij ooit nog terugkomen? Zou hij überhaupt nog leven? Hij, Odysseus, de legendarische overwinnaar van Troje, de roemruchte koning van Ithaka, maar allermeest haar innig geliefde echtgenoot. Hoe lang blijft hij nog weg? Hoe lang kan zij het lege bed, Ithaka de lege troon nog verdragen?
Het ongeduld broeit binnen de stadsmuren. Vele vrijers hebben zich aangemeld om met de koningin te trouwen en daarmee troonopvolger te worden. Moet ze dan toch maar gewoon een knoop doorhakken? Moet ze – hoe moeilijk ook – dan toch maar deze levensbladzijde omslaan om aan een nieuw hoofdstuk te beginnen…?
Als je nog nooit van hem gehoord had, dan inmiddels vast wel: Odysseus, ‘the man of pain’. Zelf hoorde ik zijn levensverhaal voor het eerst toen ik nog in de schoolbanken zat. Maar sinds de verschijning van Christopher Nolan’s ‘The Odyssey’ heeft de Griekse held zich inmiddels ook voorgesteld aan het grote publiek.
‘The Odyssey’ vertelt het wereldberoemde verhaal van de strijder Odysseus die na zijn legendarische overwinning op Troje huiswaarts keert. De terugreis verloopt echter allesbehalve voorspoedig. De Griekse goden zijn Odysseus bepaald niet welgezind. Onderweg terug komt Odysseus onder andere oog in oog te staan met Polyphemus, de hongerige reus; moet hij zijn mannen bevrijden van godin Kirke én moet hij zijn schip manoeuvreren langs de zeskoppige veelvraat Skylla en het kolkende Charybdis. Al met al loopt zijn terugreis flink wat vertraging op. De NS zou er jaloers op zijn.
Zo duikt hij op binnen de poorten van de stad, op zoek naar wie hem trouw is gebleven, wachtend op het juiste moment om zijn ware identiteit te onthullen…
Als Odysseus na al zijn omzwervingen uiteindelijk in Ithaka terugkeert, waarschuwt godin Athena hem dat hij niet meteen zijn ware identiteit moet onthullen. Zijn thuisfront is immers vele concurrenten rijker geworden, die hem maar wat graag een kopje kleiner zouden maken om zo zelf de troon te kunnen opeisen. Daarom vermomt Odysseus zich als een zwerver, een bedelaar. Zo duikt hij op binnen de poorten van de stad, op zoek naar wie hem trouw is gebleven, wachtend op het juiste moment om zijn ware identiteit te onthullen…
Net als Penelope staar ik ook zo nu en dan uit mijn raam. Ook ik verwacht de terugkeer van de Koning, al is het wel een Ander. Jaren geleden behaalde Hij een glorieuze overwinning op de vijand. Niet door kracht, noch door geweld, maar door Gods ondoorgrondelijke wijsheid. Aanvankelijk leek het er niet bepaald op dat God deze Koning erg welgezind was. Hij stierf namelijk aan een houten kruis. Maar toen de hel haar demonische overwinningskreten uitbraakte, brak deze Koning de banden van de dood en versloeg hij de vijand op eigen terrein. Dat wat de victorie voor de vijand leek te betekenen, werd diens definitieve ondergang.
Zou Hij eigenlijk nog wel komen? Lééft Hij überhaupt nog?
Intussen wacht Zijn thuisfront wanhopig op Zijn terugkeer. Soms wordt het hen haast te veel. Zou Hij eigenlijk nog wel komen? Lééft Hij überhaupt nog? Is het niet verstandiger om een andere koning te kronen? Het leven telt kandidaten genoeg! Is het misschien beter om deze bladzijde van het verleden om te slaan en een nieuw hoofdstuk te beginnen?
Tot op heden ben ik trouw gebleven. Tot op heden houd ik me vast aan de belofte van Zijn terugkeer. Zo nu en dan klinken er zelfs geruchten dat Hij in aantocht is. Ik heb me laten vertellen dat Hij dichterbij is dan ooit. Een evangelist vertelde me zelfs dat hij zich al regelmatig vertoont in de stad. Nee, nog niet in volle glorie. Maar als een zwerver, een bedelaar, als ‘de minste van Zijn broeders’ – op zoek naar wie Hem trouw blijft, wachtend op het juiste moment om Zijn ware identiteit te onthullen als de Koning van Israël, de Koning van de wereld.
‘Want elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor Hem neer’
Als je nog nooit van Hem gehoord had, dan inmiddels vast wel. Ik heb het over Jezus, ‘the Man of pain’, de Man van Smarten. Nu vaak nog vermomd in de thuisloze ogen van de vreemdeling en de bedelende handen van een zwerver. Maar eens zal het anders zijn. Want elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor Hem neer; al ’t heidendom Zijn lof getuigen, dienstvaardig tot Zijn eer.
O, als ik daaraan denk, dan grijp ik weer moed. Dan besef ik me weer dat deze losgeslagen wereld vol opdringerige vrijers uiteindelijk tot Zijn rijksgebied behoort en dat Hij eens orde op zaken zal stellen. Dan weet ik weer dat ik van Hem ben en Hij van mij. Ja, sterker nog, dan zing ik weer – samen met Zijn bruid – het oude, vertrouwde lied.
Ik blijf de Heer verwachten.
Mijn ziel wacht ongestoord.
Ik hoop, in al mijn klachten,
op Zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
wacht sterker op den HEER,
dan wachters op den morgen;
den morgen, ach, wanneer?
