26 april 2021

Preken voor ongelovigen, gelovigen en de gemeente (3)

Voor wie preken we eigenlijk?
Deel 3: Voor de gemeente als geheel

In de meeste kerken bestaat het grootste deel van de gemeente uit mannen en vrouwen die zich toevertrouwd hebben en toegewijd zijn aan die specifieke gemeente en aan elkaar. Heeft dat gevolgen voor de preek? Ik zou denken van wel.

Paulus beschrijft de gemeente van Kolosse als een gemeenschap die zich ‘houdt aan het hoofd, waaruit het hele lichaam, dat van banden en pezen voorzien is en daardoor samengevoegd, opgroeit door de groei die van God komt’ (Kolossenzen 2:19). Het ging niet zomaar om gelovigen, het waren gelovigen die geworteld waren in de gemeente van Kolosse en die opgroeiden met een groei die van God kwam.

In bijbelse prediking moeten christenen niet alleen aangesproken worden als individuen, maar als individuen die zich aan elkaar hebben toegewijd binnen een plaatselijke gemeente.

In Kolossenzen 3 vers 15 en 16 gaat Paulus daarop door: ‘En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent; en wees dankbaar. Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing voor de Heere met dank in uw hart.’ Let erop dat Paulus deze plaatselijke gemeente aanspreekt als één lichaam. Hij herinnert hen eraan dat het woord van Christus hen verbindt. Dat gebeurt door samen te komen rond het Woord: door het Woord te zingen en het te horen verkondigen.

Paulus spreekt de christenen hier niet als individuen aan, maar als leden van een specifieke gemeente. Als ze samenkwamen bracht dat hen niet alleen letterlijk dichter bij elkaar. Ze werden vooral verenigd in de woorden van Christus, dat in hen kwam wonen doordat ze deelden in hetzelfde onderwijs en dezelfde aansporingen.

Hetzelfde geldt nu nog voor een plaatselijke gemeente. Een van de middelen om eenheid te brengen onder de leden is de prediking van het woord van God. Calvijn wijst daar ook op als hij het ambt van de predikant beschrijft. De predikant is iemand die het lichaam samenbindt. Hij verwijst daarbij naar Efeze 4, waar het gaat over één hoop, één Heere, één geloof en één doop:

Met deze woorden toont de apostel aan dat de dienst van mensen, die God gebruikt om de kerk te besturen, de belangrijkste zenuw is waarmee de gelovigen in één lichaam samengebonden kunnen worden. (…) ‘Christus is opgevaren in de hoogte,’ zegt hij, ‘opdat Hij alles vervullen zou.’ Nu is dit de wijze van vervullen dat Hij door middel van dienaren, aan wie Hij de opdracht tot dit ambt gegeven heeft en de genade om die taak te vervullen, Zijn gaven aan de kerk uitdeelt en verdeelt. In zekere zin laat Hij op deze wijze ook Zijn eigen tegenwoordigheid merken, doordat Hij de kracht van Zijn Geest in deze inzetting van Hem laat werken, zodat ze niet zinloos of vruchteloos is. Zo wordt de toerusting van de heiligen volvoerd, zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd. Zo groeien wij in alle opzichten op in Hem Die het Hoofd is en groeien wij ook samen tot één lichaam; zo worden wij allen gebracht tot de eenheid in Christus, indien de profetie onder ons kracht bezit, indien wij de apostelen aannemen, indien wij de leer niet verachten die onder ons gebracht wordt. Ieder die zich erop toelegt de orde waarover wij hier spreken en deze vorm van bestuur te vernietigen of die haar als een niet zo heel belangrijke zaak voorstelt, is dan ook uit op de verstrooiing of liever gezegd, de val en de ondergang van de kerk.

Waarom zou je zo veel aandacht geven aan het feit dat gemeenteleden samen een lichaam vormen als zo veel kerken groeien door veel aandacht te hebben voor niet-leden? Omdat de Bijbel veel aandacht geeft aan al die individuen die deel uitmaken van een plaatselijke gemeente, zoals we zien in de nieuwtestamentische brieven. Het christendom werd beleefd in de context van mensen van verschillende achtergronden die het evangelie met elkaar deelden – dat was de kerk. Dat heeft grote implicaties. Zoals Paulus schrijft: ‘Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee’ (1 Korinthe 12:26). Dat is nog eens een gemeenschap waarin je je mouwen opstroopt en elkaar bijstaat in alle dingen.

In bijbelse prediking moeten christenen niet alleen aangesproken worden als individuen, maar als individuen die zich aan elkaar hebben toegewijd binnen een plaatselijke gemeente. Vraag je bij elke tekst af: wat zegt dit gedeelte over ons leven als geloofsgemeenschap? Het lijkt misschien vreemd om alleen de leden van de gemeente aan te spreken, maar wat heeft zo’n visie op de kerk veel te zeggen richting onkerkelijke mensen én christenen die ervoor kiezen om met de gemeente te flirten in plaats van zich er echt aan te verbinden! Een voorganger toont zijn waardering voor de christenen die zich aangesloten hebben bij de gemeente en – belangrijker nog – zijn liefde voor het Woord van God, dat zijn gemeenteleden aan elkaar verbindt als hij hen als één geheel aanspreekt in de preek.

Conclusie

We hebben in drie artikelen (artikel één en artikel twee) nagedacht over de vraag voor wie een voorganger nu eigenlijk preekt. De woorden van Peter Adam zijn mij als het hier over gaat uit het hart gegrepen. Deze anglicaanse voorganger uit Australië zegt: ‘Als wij dienstknechten van God en van Christus zijn, en dienaren van Zijn Woord, dan is het ook de roeping van een predikant om een dienstknecht van Gods kinderen te zijn.’

Zeker, als predikant moeten we oog hebben voor onkerkelijke mensen. Maar als we onze preek helemaal op hen afstemmen, kan de boodschap zo sterk verwateren dat Gods kinderen ondervoed raken. Dat geeft ook geen aantrekkelijk beeld naar buiten toe. Het is belangrijk om oog te hebben voor onkerkelijke mensen, maar het is nog belangrijker om je in de eerste plaats te richten op christenen en om regelmatig de gelovigen aan te spreken die zich aan de plaatselijke gemeente hebben verbonden.

Bekijk onze boeken van 9Marks voor meer informatie over dit onderwerp!

Meer toerusting