Lengte: 35:38 / Bekeken: 30 x

Zeker weten?

Hoe vind je zekerheid als het in je leven donker is? Tijdens een jongerenavond van Geloofstoerusting in Barendrecht sprak ds. P.D. Teeuw over geloofszekerheid. Aan de hand van Hebreeën 11 en 12 laat hij zien waar die zekerheid te vinden is – en waar niet: niet in jezelf, maar in Jezus.

Nachtzicht

Teeuw begint in Arnemuiden, waar hij sinds een jaar predikant is. Vissers vertelden hem hoe je ’s nachts op zee je weg vindt: vuurtorens, boeien met eigen lichtsignalen, en geduld. Het duurt 20 tot 30 minuten voordat je ogen aan het donker gewend zijn. Een boswachter gaf ooit dezelfde tip: doe je zaklampen uit. Zo komt hij bij de vraag van de avond: ‘Hoe kom je die nacht te boven? Hoe krijg je nachtzicht? Waar zijn de bakens, de vuurtorens?’

Een wolk van getuigen

De schrijver van de Hebreeënbrief gaat volgens Teeuw niet in ons hart peuteren. Hij neemt de lezer mee langs de geloofshelden. Abel. Henoch. Noach, die meer dan honderd jaar bleef timmeren. Abraham, die vertrok naar een land dat hij niet zag. Jozef, die zijn beenderen mee wilde naar het beloofde land. Rachab met het scharlakenrode koord. Wat zij gemeen hadden: ze geloofden dat Gods Woord waar is.

Volmaakt waren ze niet. Noach lag dronken in zijn tent, Mozes sloeg een Egyptenaar dood, David pleegde overspel en liet iemand vermoorden. ‘Waarom waren ze geloofshelden? Niet omdat ze een voorbeeldige levenswandel hadden, maar ze geloofden het Woord van God.’

Je kijkt verkeerd

Waarom missen zoveel christenen zekerheid? Sommigen zeggen: ik doe te veel zonde. Teeuw maakt de zonde niet klein. Hij gaat zelfs verder: God noemt Israël ‘een opstandig huis’, en daarin zien we wie wij zelf zijn. Hij maakt het verschil duidelijk met een autofabriek. Een fabriek waar fouten worden gemaakt is iets heel anders dan een fabriek waar opstand is uitgebroken.

‘Jouw zonden zijn niet de echte reden waarom je geen zekerheid hebt.’ Het probleem is onze blik. Wie kijkt naar zijn zonde, zijn opstandige hart of zijn wankele geloof, gaat twijfelen. Ook het geloof zelf is geen fundament: ‘Je geloof is niet de basis van je zekerheid. Het geloof is het instrument waardoor je de zekerheid kunt ontvangen.’ Het gaat om het voorwerp van het geloof: de belofte van God in Jezus Christus.

Het oog op Jezus

Daarom loopt Hebreeën 11 uit op de oproep van hoofdstuk 12: elke last en de zonde afleggen en het oog gericht houden ‘op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof’. Teeuw wijst op de woorden van Jezus zelf: ‘Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn’ en ‘wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen’. ‘Echt waar, jij bent vanavond niet de enige uitzondering op die tekst.’

Hij gebruikt het beeld van een te volgepakte auto na de vakantie. Neem de ballast niet mee naar huis. Laat hem ook niet in de kerkzaal achter: ‘Je moet het laten liggen daar op de kruisheuvel van Golgotha.’ Daar staat een Heiland die zegt: geef het maar aan Mij. ‘Eén blik op Jezus is genoeg.’

Teeuw sluit af met een gedicht over de pelgrim op weg naar huis. Alleen Christus is jouw vaste fundament. Elke andere grond is zandgrond. Wie bouwt op Jezus, de Rots, staat eeuwig vast.

Meer toerusting