Wij geloven dat Jezus Christus God én mens is. Maar welke troost put je daar nu uit? Het lijkt haast wel een vraag uit de Heidelbergse Catechismus! Een oude preek geeft hierop een duidelijk antwoord: omdat Hij God is, mogen we op Hem vertrouwen – omdat Hij mens is, kunnen we volvertrouwen naar Hem toe gaan.
Het is voor ons een bron van een grote troost dat Jezus Christus, onze Zaligmaker, niet alleen de Zoon van David is, maar ook Davids Heere. Dat wil zeggen, dat Hij niet alleen waarachtig mens, maar ook waarachtig God is.
God
Omdat Hij waarachtig God is, mogen wij ons geloof en vertrouwen zonder enige beperking op Hem stellen en de toegezegde zaligheid vast en zeker van Hem verwachten. Bij God is immers de bron van het leven en van alle genade (Psalm 36:10). Niets is er voor Hem onmogelijk, alles wat Hij heeft beloofd, kan Hij waar maken.
Als Hij geen God zou zijn, zouden wij immers niet zo vast op Hem mogen vertrouwen. Dan zou onze verwachting geen zekerheid kennen. Er staat immers geschreven: ‘Vertrouw niet op edelen, op het mensenkind, bij wie geen heil is’ (Psalm 146:3). Ook staat er: ‘Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens, en die een schepsel tot zijn arm stelt’ (Jeremia 17:5).
Mens
Als Hij alleen maar God zou zijn en niet tegelijk ook mens, dan zou Zijn majesteit ons vooral bang maken en geen troost bieden. Want dan zouden wij immers niets gemeenschappelijks met Hem hebben.
Dat Hij zich zo diep heeft vernederd en naar ons toegekomen is, dat Hij ons vlees heeft aangenomen en daardoor onze Broeder geworden is, ja, dát geeft ons de vrijmoedigheid om vol vertrouwen naar de troon van de genade te durven gaan (Hebreeën 2:11, 17; 4:16). Daaruit putten wij ook onze vaste hoop dat Hij bij Zijn tweede komst ook ons vlees tot zich zal nemen. Door de krachtige werking waardoor Hij alle dingen aan zich onderwerpen kan, zal Hij dan ook ons vernederde lichaam veranderen en gelijkvormig maken aan Zijn verheerlijkte lichaam (Filippenzen 3:10, 20-21).
Uit: Justus Bulaeus, Huys-postille (Amsterdam 1618), 722-723 – hertaling: Kees de Wildt
