3 april 2026

Volkomen verzoening

Aan het kruis op Golgotha heeft onze Heere Jezus Christus het volmaakte offer voor onze zonden gebracht. Daarom vraagt Hij ons om ons lichaam niet langer bewust aan de zonde over te geven. Maar als we toch in zware zonden vallen, is deze zelfde Hogepriester onze troost in leven en sterven. Daarover gaat de toepassing van een oude preek over Hebreeën 9:15.

Zondig niet meer!
In de eerste plaats moeten we erop letten dat Jezus Christus Zijn offer met een bepaald doel heeft volbracht. Hij wil namelijk dat wij God zullen dienen, Hem loven, eren en prijzen. Dan moeten we er natuurlijk goed op letten dat we ons niet in zonden en overtredingen storten, maar ons lichaam aan God ter beschikking stellen als een wapen van de gerechtigheid. Dat wil zeggen, dat we het ten dienste stellen van God zelf (Romeinen 6:13) en in deze wereld rechtvaardig en godvruchtig leven (Titus 2:12).

‘Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden’ (Hebreeën 10:26-27). In dat geval zou het beter zijn geweest als we de weg van de waarheid nooit hadden gekend (2 Petrus 2:21). Dan zullen we immers de bedroefde stem van Christus moeten aanhoren, die zegt: ‘Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!’ (Mattheüs 7:23) Hij zal ook zeggen: ‘Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is’ (Mattheüs 25:41).

Als we toch in zonden vallen
Dat de Christus de Middelaar van het nieuwe verbond is geworden, die ons arme mensen met Zijn Vader heeft verzoend, biedt ons ook veel troost. Zoek Johannes 8:36, Romeinen 8:1 en 1 Timotheüs 2:5 maar eens op. Daarom geldt: ook als wij in zware zonden vallen, hebben we toch deze troost: ‘Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige’ (1 Johannes 2:1). ‘Want Christus is niet binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is (…), maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons’ (Hebreeën 9:24). Hij leeft altijd om voor ons te pleiten (Hebreeën 7:25; Romeinen 8:34).

Over deze Middelaar spreekt de apostel ook in Hebreeën 5:9: ‘En toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden.’ We weten zeker dat het zo is, want ‘omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft [Hij] een Priesterschap dat niet op anderen overgaat. Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten’ (Hebreeën 7:24-25). Als wij dan zo’n grote Hogepriester hebben, ga dan naar Hem toe. ‘Laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water. Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw’ (Hebreeën 10:22-23). Als we dat doen, mogen wij vast en zeker weten dat Hij ons met vreugde ‘in de eeuwige tenten’ zal ontvangen (Lukas 16:9). (…)

Daarom komt het deze enige en volkomen Middelaar Jezus Christus toe dat we Hem en de Vader en de Heilige Geest loven, eren en prijzen van eeuwigheid tot in eeuwigheid. Amen.

Uit: Johannes Strackius, Kerckelycke basuyne (Amsterdam 1617), 114v-115r. – Hertaling: Kees de Wildt.

Meer toerusting