8 mei 2018

Van Maria naar Mohammed

Door de oude, gebrandschilderde ramen kwam geen enkel strookje licht naar buiten. Het was donker in het Godshuis. Slechts de wijzers van de torenklok lichtten op. Tien voor zeven.

De deur stond wel al open. We liepen naar binnen. Na twee kleine portiekjes stonden we in de kerk. Een man kwam op ons aflopen en stelde zich voor. We waren welkom bij dit meditatieve moment in de Johannes de Doper Parochie. Enkele minuten later kwam ook zijn vrouw binnen. En op het allerlaatste moment schuifelde er nog één laatste dame over de drempel.

Daar zaten we dan. Slechts met z’n vijven. Oog in oog met Maria. Er werd een kaars aangestoken, als teken van de aanwezigheid van de Heilige Geest. Waar twee plus drie in Zijn Naam vergaderd zijn…

Na een gebed, het ontsteken van kaarsjes en een lezing uit een van de evangeliën was er tijd voor stil gebed. Vijf, tien, vijftien, bijna twintig minuten zwegen we. Het was doodstil. Ik hoorde slechts het ademhalen van de anderen.

Ik vond het te lang duren. Was ik het verleerd? Twintig minuten lang praten met God. En wellicht luisteren naar de stem van God. Wilde ik zelfs in de kerk continu geëntertaind worden met mooie Schriftgedeelten en inspirerende gebeden?

We spraken nog wat na afloop. Vooral over onze moeite met de Mariaverering. Ze toonden begrip. ‘Maar kijk nog eens goed naar dat icoon’, sprak de vrouw. Ik keek Maria nog eens in de ogen. ‘Maria wijst naar Jezus’, vervolgde ze. ‘Alsof ze zeggen wil: Dáár moet je zijn!’

We vervolgden onze weg. Na niet al te lange tijd belden we aan bij een islamitische vriend. Hij was juist bezig met zijn avondgebed, bestaande uit het reciteren van teksten uit de Koran. Toch waren we welkom. Zeer welkom.

We spraken met elkaar over onze religies; toonden begrip en onbegrip. Hij zag onze vreugde, wij merkten zijn ontzag voor Allah. Hij deinsde er voor terug om op de troon van God te gaan zitten, door al te gemakkelijk over het oordeel te spreken. Hij weigerde om de Arabische woorden van de Koran te vertalen, bang dat hij de heilige woorden tekort zou doen.

De twee korte bezoekjes waren als twee grote spiegels. Immers, hoe vaak zijn wij ons bewust van de aanwezigheid van de Heilige Geest in onze kerkgebouwen? Hoe vaak zijn we twintig minuten stil, alleen met God? Hoe vaak spreken we knielend slechts woorden uit de Bijbel uit tot God, in plaats van dat we direct onze egoïstische verlangens met Hem delen? Hoe gaan wij eigenlijk om met de heilige woorden van God?

Wat kan de ontmoeting met andersdenkenden veel brengen. Anderzijds, wat kan de ontmoeting met andersdenkenden ook veel wegnemen. De hokjes, de kadertjes, de oordelen en de stigma’s: ze verdwijnen in de prullenbak.

Wat overblijft zijn zoekers. Godzoekers. Oprecht en ernstig speurt men naar sporen van genade.

O, dat men Jezus nou toch eens tegenkwam!