10 juli 2019

Als al mijn zonden zijn vergeven, waarom blijft berouw dan nodig?

Het is een begrijpelijke vraag: als we gerechtvaardigd zijn door het geloof en al onze zonden zijn vergeven – verleden, heden en toekomst – waarom is het dan nodig om door te gaan met het zoeken naar vergeving?

Onze zonden zijn toch al vergeven?

Een heilige en zondaar tegelijk

Er zijn minstens drie Bijbelse waarheden die we allen moeten vastgehouden.

Ten eerste verklaart God degenen die zich hebben bekeerd van de zonde en op Christus vertrouwen als Heere en verlosser, rechtvaardig op basis van Christus’ gerechtigheid en plaatsvervangende dood (Rom. 3: 21-26, 5: 1, 8: 1, 30, 33-34). Dit is als het ware een juridische uitspraak van God, dat voor eens en altijd in de gelovige plaatsvindt. Het is niet een proces waarbij we gerechtigheid als het ware ‘geïnjecteerd’ krijgen (Rom. 5: 12-21, Fil. 3: 8-9,  2 Kor. 5: 19-21).

Hoewel iedereen voor de rechterstoel van Christus zal staan ​​en het publieke oordeel zal horen of we al dan niet in Hem gevonden zijn ( 2 Kor.5: 10 ), heeft voor de gelovigen dit eindoordeel nu al plaatsgevonden.Wij zijn al van dood tot leven gebracht (Joh. 5: 24, Rom. 8: 1). Rechtvaardiging die eenmaal ontvangen is, kan niet meer herroepen worden.

Ten tweede gebiedt God ons dat we onze zonden belijden als we hebben gezondigd (1 Joh. 1: 9). Dit bevel betreft niet alleen de oorspronkelijke rechtvaardiging, maar de context van 1 Johannes  maakt ook duidelijk dat het belijden van zonde een voortdurend proces is voor christenen.

‘Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid als wij onze zonden belijden. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons’ (1 Joh. 1: 8-10).

Ten derde beveelt God ons niet alleen om onze zonden te belijden, maar belooft hij ons ook in de toekomst ons te vergeven. In zekere zin hangt onze vergeving af van de vraag of wij anderen vergeven nadat we zelf gerechtvaardigd zijn (Matth. 6: 14, 18: 15-35, 1 Joh. 1: 9, Jak. 5: 15).

Drie gedachten

Maar hoe vertalen we deze waarheden theologisch zonder één ervan te kort te doen? Hier zijn drie gedachten.

Ten eerste is het vanuit God gezien geen probleem om te zeggen dat als Hij ons rechtvaardig verklaart, Hij ook onze toekomstige zonden vergeeft. Dat doet Hij net zoals met de zonden uit het verleden en heden. Onze toekomst is voor Hem een open boek. Maar vanuit óns gezichtspunt is het het beste om onze rechtvaardiging te zien als de vergeving van al onze zonden uit het verleden en heden. Tegelijkertijd is het de juridische basis voor de vergeving van toekomstige zonden.

Terwijl we ons leven leven en onverhoopt in zonde vallen, moeten we in berouw en geloof terugkeren naar God en Zijn vergeving zoeken. Tegelijk doen we dat op basis van het werk van Christus waar we in onze rechtvaardiging deel aan hebben gekregen. Dit proces betekent niet een nieuwe rechtvaardiging, maar een hernieuwde toepassing van de rechtvaardiging die we al eerder ontvingen.

Als we zondigen, verliezen we het besef van vergeving en de ervaring van vrede met God. Als we dus door het werk van de Geest onze zonden belijden, worden we weer wakker en zien we opnieuw wat Christus voor ons heeft gedaan. God blaast nieuw leven in onze geborgenheid in Hem en in de zekerheid van het geloof. Gelovigen blijven om die reden dagelijks bidden om vergeving. Niet met de wanhoop van iemand die denkt dat hij verloren is, maar in het vertrouwen van gerechtvaardigde en aangenomen kinderen. Zij naderen tot Hem als de hemelse Vader Die hen in Jezus Christus rechtvaardig heeft verklaard.

Ten tweede laat deze vraag ons het belang van tijd en geschiedenis zien. Bij onze rechtvaardiging uit genade en door het geloof in het volbrachte werk van Christus zijn al onze zonden uit het verleden, het heden en de toekomst volledig vergeven en betaald! Toch doet de loop van onze geschiedenis er toe. Op een vergelijkbare manier wordt dit zichtbaar bij God Die vóór de grondlegging van de wereld een volk voor Zichzelf kiest (Efeze 1: 4-6). Het is zeker dat zij in Christus gerechtvaardigd zullen zijn, maar het heilsplan moet zich nog ontvouwen in ruimte en tijd. Christus moet onze menselijkheid aannemen, Zijn leven voor ons leven, sterven en opstaan tot onze zaligheid.

Bovendien, vóór dat het verlossende werk van Christus op ons kan worden toegepast, moeten de uitverkorenen wel eerst geboren worden. Ze moeten het Evangelie horen en tot het zaligmakende geloof worden gebracht. Alhoewel Gods plan van eeuwigheid is, voltrekt het zich in de tijd. Omdat we tijdelijke wezens zijn, past God het werk van Christus toe door de Geest in de tijd.

Ten derde leven we in een verbondsrelatie met onze Drie-enige God. Ergens in de geschiedenis worden we tot het zaligmakend geloof in Christus gebracht en gaan we een verbondsrelatie met Hem aan. In die relatie zullen we – totdat Christus terugkomt – nog steeds zondigen. En God is als de Drie-enige en persoonlijke God – zachtjes uitgedrukt – niet blij met onze zonden. Dit vereist daarom dan ook voortdurend berouw en het zoeken naar vergeving. Als we onze zonden belijden, vergeeft God ons die alleen vanwege Christus.

Niet in tegenspraak

We zijn altijd volmaakt in Christus, maar we hebben ook een echte relatie met God. In menselijke relaties zien we ook iets van dezelfde waarheid. Als ouder heb ik een relatie met mijn vijf kinderen. Omdat zij mijn familie zijn, zullen ze nooit verstoten worden: onze relatie is blijvend. Maar als ze tegen mij zondigen, of ik tegen hen, staat onze relatie onder spanning en moet die weer hersteld worden. Onze verbondsrelatie met God werkt op een vergelijkbare manier.

Op deze manier komen onze volkomen rechtvaardiging in Christus én het onderwijs vanuit de Schrift dat we voortdurende vergeving nodig hebben bij elkaar. Door God te vragen ons te vergeven, voegen we niets toe aan het volkomen werk van Christus. In plaats daarvan wordt opnieuw toegepast wat Christus voor ons heeft gedaan als onze Verbondshoofd en Verlosser.

Er is absoluut geen tegenstelling tussen rechtvaardiging uit genade en door het geloof én onze behoefte aan voortdurende vergeving van zonden. Als we God vragen om ons te vergeven doen we dat niet om opnieuw gerechtvaardigd worden, maar wel om weer voor Zijn aangezicht te wandelen in het vertrouwen dat Christus alles heeft betaald en we alles uit genade ontvangen. Rechtvaardiging is voor eens en altijd, maar het belijden van zonde en het ontvangen van vergeving zal blijven tot we verheerlijkt zijn en nooit meer zondigen.

 

Meer toerusting