25 mei 2026

‘Heer, ik hoor van rijke zegen’

Pinksteren is het feest van rijke zegen op het gepredikte Woord. Toch hoor je nu weleens zeggen: ‘Tegenwoordig is het nog een wonder als God op drieduizend preken één mens bekeert.’ Gereformeerde theologen uit het verleden verwachten op Bijbelse gronden juist dat vele zondaars de oproep van het evangelie zullen gehoorzamen. Je bent welkom, ook als je Christus hebt gekruisigd.

Petrus zegt: ‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal’ (Handelingen 2:39). Om zijn hoorders nog meer aan te sporen en tot de kerk des Heeren te trekken, zo laat hij hun weten dat deze heerlijke belofte van God niet alleen voor hen geldt, maar ook voor hun kinderen en kleinkinderen. De Heere wil ook hun Vader zijn (Genesis 17:7). Alle geslachten zullen in het zaad van Abraham gezegend worden (Genesis 22:18). Met dat zaad wordt Christus bedoeld, onze Heere zelf (Galaten 3:16). We moeten daarbij weten dat de heidenen van deze heerlijke genade absoluut niet worden uitgesloten. Zij worden in dit vers immers bedoeld met ‘allen die veraf zijn’ en die nu ‘dichtbij gekomen’ zijn, zoals we lezen in Efeze 2:13.

Vervolgens hebben ze zich ook laten dopen. Door die ene pinksterpreek van Petrus zijn ‘ongeveer drieduizend zielen (…) aan hen toegevoegd’ (Handelingen 2:41). Hier wordt vervuld wat Christus hiervoor al had gezegd: ‘En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen naar Mij toe trekken’ (Johannes 12:32). Daarmee laat de Heere zien dat Zijn donderstem grote kracht bezit (Psalm 68:34). Paulus zegt het zo: ‘En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt’ (Romeinen 8:30).

Toepassing

We horen hier in de eerste plaats dus dat Gods uitverkorenen als hun zonden hun voor ogen worden gesteld, niet langer afwachten, maar zich juist haasten om hun zonden te belijden, in een hartelijk verlangen om weer met hun God verzoend te worden. Zo deed David het (2 Samuel 12:13), de koning van Ninevé (Jona 3:6) en allerlei anderen in de Bijbel.

We horen hier ook: als we van harte verlangen naar de genadige kwijtschelding en vergeving van zonden, kunnen we die alleen verkrijgen als we ons eerst bekeren, oprecht in Jezus Christus geloven en een nieuw leven beginnen.

Wat de christelijke doop betreft, voor allen die in Christus Jezus zijn gedoopt, is de doop een zeker en vast teken dat ze vergeving van zonden, rechtvaardigheid en eeuwig leven zullen ontvangen, namelijk door Jezus Christus, door wiens bloed ze zijn gewassen van alle zonden en misdaden (1 Korinthe 6:20).

We moeten ook heel goed letten op het onjuiste gevoelen van hen die door de verdienste van hun werken hopen zalig te worden. Nee, de kwijtschelding en vergeving van zonden wordt ons alleen uit genade geschonken (Efeze 2:8). Zoals David het zegt: ‘Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is’ (Psalm 32:1). Ook Paulus zegt dat, als hij opmerkt dat we zalig worden door de genade van onze Heere Jezus Christus, net als onze vaderen (Handelingen 15:11).

Onze tekst getuigt er ook van dat niet allen zalig worden die het evangelie horen verkondigen en wel doordat ze zich niet bekeren. Toch heeft de Heere vaak gewild dat grote aantallen mensen worden bekeerd en aan Zijn kerk toegevoegd. We zien bijvoorbeeld wat er in Samaria is gebeurd (Handelingen 8:14-25). Ook dat een heel gezin zich bekeert en ook allerlei andere mannen en vrouwen, zoals het hele gezin van Cornelius (Handelingen 10:24-48), het gezin van Crispus en vele anderen in Korinthe (18:8), de purperverkoopster Lydia en de hoofdman in Filippi (16:14-34). Dat was ook te zien toen keizer Constantijn zich liet dopen, want toen hebben talloze mensen zich met hem laten dopen. (…)

Wat zit er ook veel troost in als we zien dat onze Heere Christus zelfs hen die Hem kruisigden, in genade aanneemt en hun hun zonden vergeeft. Augustinus zegt: niemand hoeft dus te twijfelen aan de vergeving van zonden, aangezien ook zij die Christus hebben gedood, vergeving hebben verworven. Hij vervolgt: het bloed van Christus is dus zozeer gestort tot vergeving van alle zonden, dat het ook kan reinigen van de zonde waardoor het werd uitgestort.

Deze Heilige Geest wil ook ons met alle hemelse schatten en gaven versterken en kracht geven, opdat wij van onze zonden gereinigd en gezuiverd zullen worden en ten slotte de eeuwige zaligheid verkrijgen. Samen met de Vader en de Zoon komt deze Geest toe alle lofprijzing en eer, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Uit: Johannes Strackius, Kerkelycke basuyne (Amsterdam 1617), 336r-337r – hertaling: Kees de Wildt.

Meer toerusting